Er zijn verschillende afweerstoornissen. Afhankelijk van welke afweerstoornis jij hebt, zijn er meerdere behandelingen mogelijk.

Welke behandeling het beste bij jou en je afweerstoornis past, wordt samen met jouw specialist bekeken.

Antibiotica

Mensen met een afweerstoornis hebben vaker dan normaal last van infecties. Voor deze infecties is het dan ook vaak nodig om antibiotica te geven. Antibiotica zijn middelen die infecties met bacteriën opruimen.  
Soms is het nodig dagelijks een lage dosis onderhoudsantibiotica te gebruiken om infecties te voorkomen.

Antischimmelmiddelen

Bij een aantal afweerstoornissen komen schimmelinfecties veelvuldig voor. Het kan dan zijn dat de arts antischimmelmiddelen in een onderhoudsdosering voorschrijft. Ook komt het voor dat schimmelinfecties ontstaan door het gebruik van antibiotica. In die situatie wordt dan meestal een kuur met antischimmelmiddelen voorgeschreven.

Immuunglobuline therapie

Wanneer je een tekort aan antistoffen in je bloed hebt kan het nodig zijn deze aan te vullen met immuunglobulines. Immunoglobuline is een eiwit dat voorkomt in bloedplasma en wordt gewonnen uit het bloed van gezonde plasmadonoren. Immunoglobulines spelen een belangrijke rol bij de afweer tegen infectieziekte en worden elke 1-3 weken via een infuus of onder de huid toegediend.
De hoeveelheid immunoglobulines die u toegediend krijgt, is afhankelijk van jouw situatie, gewicht en afweerstoornis.

Stamceltherapie

Stamceltransplantatie is een curatieve behandeling voor patiënten met ernstige aangeboren afweerstoornissen. Meer dan een halve eeuw geleden werden de eerste succesvolle stamceltransplantaties uitgevoerd bij pasgeborenen met SCID (ernstige gecombineerde afweerstoornis), een anders fatale ziekte. In de afgelopen decennia is stamceltransplantatie steeds vaker met succes ook bij patiënten met andere ernstige afweerstoornissen toegepast. Hierbij valt te denken aan ziekten als chronisch granulomateuze ziekte (CGD), hemofagocyterende lymfhistiocytose (HLH) en diverse vormen van gecombineerde afweerstoornissen. Stamceltransplantatie is voor deze aandoeningen momenteel de enige behandeling waarmee genezing kan worden bereikt. Momenteel wordt ruim driekwart van de stamceltransplantaties bij kinderen uitgevoerd vanwege andere afweerstoornissen dan SCID. Hoewel stamceltransplantaties bij patiënten met aangeboren afweerstoornissen voornamelijk worden uitgevoerd op de kinderleeftijd, is er afgelopen jaren in toenemende mate ervaring opgedaan bij volwassen patiënten met deze aandoeningen. 

Bij stamceltransplantatie worden de in het beenmerg aanwezige bloedcelvormende stamcellen, waaruit ook de afweercellen ontstaan, vervangen door bloedcelvormende stamcellen afkomstig van een geschikte gezonde donor. Een stamceldonor kan zowel een direct familielid zijn, als een vrijwillige donor uit de wereldwijde donorbank. Bij de zorgvuldige selectie door het transplantatieteam van een geschikte donor wordt vooral gekeken naar de zogenaamde weefseltypering, ook wel HLA-typering genoemd. De bloedcelvormende stamcellen kunnen zowel uit het beenmerg (onder narcose) of (na een speciale voorbehandeling met groeifactoren) uit het bloed van de donor worden verkregen. Naast beenmerg en bloed kunnen bloedcelvormende stamcellen ook uit navelstrengbloed (hetzij verwant, hetzij uit publieke navelstrengbloedbanken) worden verkregen. De stamceltransplantatie behandeling vindt plaats tijdens een ziekenhuisopname waarbij de donor stamcellen, veelal na voorafgaande behandeling met chemotherapie om de eigen stamcellen te verwijderen, worden toegediend. Als alternatief voor stamceltransplantatie met cellen van een gezonde donor wordt er voor een klein aantal ernstige afweerstoornissen ook onderzoek gedaan naar de toepassing van stamcelgentherapie. Hierbij worden de aangedane stamcellen van de patiënt in het laboratorium gecorrigeerd om deze vervolgens als goed functionerende cellen terug te geven aan de patiënt. De behandeling is veelbelovend maar bevindt zich nog grotendeels in onderzoeksfase.

De beslissing om tot een stamceltransplantatie over te gaan vraagt een zorgvuldige afweging en wordt altijd in nauwe samenspraak tussen het multidisciplinaire transplantatieteam, de patiënt/familie, en de verwijzend arts gemaakt.