Erfelijkheid is kortweg: het overdragen van bepaalde eigenschappen aan volgende generaties. Dit begint bij de mens dan ook wanneer de zaadcel van een man versmelt met de eicel van een vrouw. Uit deze samensmelting ontstaat één grote begincel. Hieruit ontstaan de miljarden cellen waaruit het lichaam is opgebouwd. Zowel in de eicel als in de zaadcel zit het erfelijk materiaal. Met betrekking tot het erfelijke materiaal worden 3 hoofdbefrippen onderscheiden: chromosomen, genen en DNA. Chromosomen lijken op lange dunne “draadjes”. Als ze gekleurd worden, zijn ze onder een microscoop zichtbaar.

Elke cel in ons lichaam bevat 23 paren chromosomen. Tijdens de ei- en zaad-productie wordt het totale aantal van 46 chromosomen (23 paren) in tweeën gedeeld. Eén chromosoom van elk paar komt (normaal gesproken) in een eitje of zaadje. Bij de bevruchting worden de 23 chromosomen in het eitje met de 23 chromosomen uit het zaadje gecombineerd en ontstaat in de vrucht weer het totale aantal van 46 chromosomen. Op deze manier geeft elk van de ouders zijn of haar helft van de erfelijke informatie door bij een bevruchting.

Voor de afbeeldingen verwijzen we je graag naar de brochure.